#caption
#caption


Reactie Bussemaker op Monitor Vrouwelijke Hoogleraren 2015

Minister Bussemaker heeft op verzoek van de Vaste Commissie Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van de Tweede Kamer gereageerd op de Monitor Vrouwelijke Hoogleraren 2015. Ook geeft zij in haar brief aan de Kamer een overzicht van het aantal vrouwen in de top van de (semi)publieke sector.

De minister kreeg  de Monitor Vrouwelijke Hoogleraren 2015 op 19 november 2015 aangeboden van het Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren. De monitor laat in één oogopslag zien hoe het gesteld is met de positie van vrouwen in de Nederlandse academische wereld. Het geeft de meest actuele cijfers en het percentage vrouwen in diverse wetenschappelijke functies aan de universiteiten, bij de universitair medische centra en bij de onderzoeksinstellingen.

Uit de monitor blijkt dat vrouwen flink ondervertegenwoordigd zijn in de hogere regionen van de wetenschap. Ook blijkt het salaris van vrouwelijke wetenschappers nog steeds lager te zijn dan van hun mannelijke collega's in vergelijkbare posities, terwijl ze hetzelfde werk doen.
Sinds 2003 is de Monitor elke drie jaar uitgebracht. Dit is nu de vijfde monitor en helaas is er geen trendbreuk te zien. Op de gemiddelde Nederlandse universiteit is anno 2015 slechts zeventien procent van de hoogleraren vrouw. Opmerkelijk signaal is ook dat vrouwen die wèl de top bereiken, veelal meer werken dan mannen. Met het huidige tempo van vooruitgang zullen pas in 2055 evenveel mannen als vrouwen hoogleraar zijn. Dat betekent dat het nog steeds veel te traag gaat en er te weinig verandert.

Gebaseerd op de gegevens uit de Monitor ziet de minister een strategisch personeelsbeleid van universiteiten als belangrijke sleutel om duurzame veranderingen te realiseren. Uit onderzoek blijkt dat bewust beleid werkt. Doelbewust streven naar een evenwichtige m/v-verdeling bij benoemingen blijkt effect te hebben. De minister wil daarom de komende tijd met de universiteiten afspraken maken over een betere doorstroom van vrouwen. Daarmee beoogt zij ook binnen de universiteiten snel te komen tot 30 procent vrouwelijke hoogleraren en 30 procent vrouwen in besturen van academische instituten, zodat alle kwaliteit die er is wordt benut. De Monitor laat zien dat er genoeg goed gekwalificeerde vrouwelijke studenten en universitair (hoofd)docenten zijn om door te stromen.

Topfuncties in de (semi)publieke en non-profitsector
In de Emancipatiemonitor 2014 is door SCP en CBS informatie verzameld over vrouwen in de top in de non-profitsector en bij de rijksoverheid. Het blijkt dat in de non-profitsector vanouds meer vrouwen werken dan in het bedrijfsleven. Dat is ook zichtbaar op top- en subtopniveau.
►Bij de sociaaleconomische non-profitinstellingen (sociale zekerheidsorganisaties, pensioenfondsen, Kamer van Koophandel en UWV) is het aantal vrouwen vanaf 2012 flink toegenomen: 35 procent in RvB en 30 procent in RvC (was 26 procent en 16 procent). Ook in de echelons daaronder is het aandeel vrouwen toegenomen (tot 45 procent): er is in deze sector een flinke kweekvijver aanwezig voor de top.
►In de zorg- en welzijnssector zijn de cijfers vergelijkbaar met de sociaaleconomische non-profitsector (38 procent vrouwen in de RvB/s en 33 procent in de RvC’s), er is echter geen sprake van groei. Hoe dat komt, is onduidelijk.
►Bij maatschappelijke organisaties (goede doelen-organisaties, belangenorganisaties, omroepverenigingen, sportkoepels, politieke partijen) is sprake van een daling in het aandeel topvrouwen: van 40 procent in 2010 naar 30 procent nu. In het eerste echelon onder de top is het aandeel vrouwen wel toegenomen, tot 50 procent. Er is dus ook in deze sector een groot potentieel.
►Bij de rijksoverheid neemt het aandeel van vrouwen in de ambtelijke top iets toe (28 procent van de zogenoemde ABD-functies), maar er lijkt sprake van stagnatie. De cijfers verschillen per departement. Bij de Hoge Colleges van Staat is het aandeel vrouwen in de ABD-functies het hoogste (44 procent). Daarna volgen OCW (37 procent), SZW (36 procent), AZ (33 procent) en VenJ (30 procent). Defensie en EZ scoren met 8 resp. 16 procent het laagst.

Voor de Rijksoverheid geldt een streefcijfer voor het aandeel vrouwen in hogere en topfuncties. Dat aandeel dient 30% te zijn in 2017. De (semi)publieke en non-profitsector valt niet onder de Wet bestuur en toezicht; voor deze sector gelden geen streefcijfers.
De minister vindt dat het streefcijfer van 30 procent vrouwen aan de top uit de Wet bestuur en toezicht ook in de (semi)publieke sector zou moeten gelden. Veelal zitten deze sectoren daar al boven. De minister laat bij de evaluatie van de Wet bestuur en toezicht betrekken of streefcijfers voor de (semi)publiek gefinancierde sector gewenst zijn.

Zie de volledige tekst van de Kamerbrief >>

Download de Monitor Vrouwelijke Hoogleraren 2015: http://www.lnvh.nl/monitor2015/

Interview minister Bussemaker en Catholijn Jonker, voorzitter van het Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren t.g.v. de aanbieding van de monitor op NRC.nl


Uitgebreid zoeken

       GWI             
                 
 WMNL                   
        
              
  
  
     
  
     
 WMNL 
        
  
     
 GWI